"Je kunt een fundamentalist zijn, maar ook een danser”
Gefascineerd
is hij door de negentiende-eeuwse literatuur. En dan vooral de Russen:
Toergenev, Chechov en zijn favoriet Lev Tostoj. Maar ook een schrijver
als Flaubert heeft tekenaar Jeroen Steehouwer hoog zitten. “Het eerste
dat ik van Tolstoj las was Anna Karenina. De hoofdpersoon van dat boek
is voor mij niet Anna Karenina zelf, maar Lewin, een landheer. Lewin –
zeg maar gerust het alter ego van Tolstoj – twijfelt bij vlagen hevig
over zijn leven. Hij komt geleidelijk tot het besef dat er niets anders
opzit dan te geloven, in welke vorm dan ook. Daar werd ik sterk door
gegrepen.”
Steehouwer las Anna Karenina in een tijd dat hij zelf veel had uit te zoeken. “Ik had veel gedonder gehad in de liefde, een bedrijf dat ik had opgezet met vrienden liep mis, en ik was teleurgesteld in vriendschappen. Geloven in iets wat universeel is, kan je wél bevrediging geven. Toen ben ik helemaal in Tolstoj gedoken.”
Tolstoj was destijds al een beroemde man, hij was steenrijk, en getrouwd met een hele mooie vrouw, die hem dertien kinderen baarde. Ondanks zijn succes, kwam hij erachter “dat het dat toch niet was”. Je hebt al je aardse dromen vervuld, en dan…? Hij ging heel ver in zijn zelfanalyse, en deed heel zijn schrijverschap af als ijdelheid. Tolstoj bekeert zich tot de Russisch-orthodoxe kerk, maar ontwikkelt gaandeweg een eigen geloof, zonder regels, zonder mirakelverhalen, zonder poespas. ‘Christus zonder christendom’, noemt hij het zelf. Ook in politiek opzicht wordt hij radicaler. Hij weigert bijvoorbeeld nog belasting te betalen, omdat hij als pacifist niet mee wil betalen aan oorlogsvoering.
Steehouwer beleefde zijn eigen crisis op een vergelijkbare manier. Op zijn twintigste stond hij in het stripblad waar hij altijd in had willen staan, als jongetje droomde hij er al erover. Een paar jaar later had hij een studio, met getalenteerde collega’s, en was gelukkig in de liefde. “Ik was pas in de twintig, en had het gevoel dat ik al veel had bereikt en dat ik het leven voor honderd 100 procent had beleefd. Maar toch…”
Bandeloos
Steehouwer
is van katholieke huize, maar het geloof speelde hoegenaamd geen rol in
zijn leven. “Toch vertelde mijn moeder mij laatst dat ik een keer zoek
was. Ik zat nog op de kleuterschool. Een buurvrouw vond mij aan de
waterkant. Zij haalde mijn moeder erbij, en ze vroegen me wat ik daar
zat te doen. Ik vertelde dat de juf had verteld dat je Jezus tegenkomt
als je doodgaat. Dat wilde ik eigenlijk wel en daar zat ik over te
mijmeren. Als kleuter was ik kennelijk al door Jezus gefascineerd…”
Beslissend voor Steehouwer om tot geloof te komen was Tolstoj’s boekje Mijn Biecht. Tolstoj vindt dat hij slecht geleefd heeft. In alles was hij bandeloos: gokken, seks, vechtpartijen… “Steeds wilde hij tot het uiterste gaan, ook als hij zich op het goede toelegt. In Mijn Biecht staat een mooi beeld van een man die in een gat is gevallen, een heel diep gat. Hij heeft zich net vast kunnen houden aan een tak, doodsbang om te vallen; hij voelt dat daar beneden iets heel verschrikkelijks zit, een slang, of een draak. Uit dat takje groeit een klein bloempje, waar een honingachtig vocht vanaf druppelt. Dat is nog de zoetheid van het leven. Daar zou hij aan kunnen likken, en dat probeert hij ook, maar hij voelt dat dat eigenlijk geen hout snijdt. Toen ik Mijn biecht van Tolstoj had gelezen, dacht ik, net als Lewin: ’Er zit niets anders op. Het is tijd om te gaan geloven.’”
“Uit die tak groeit een bloempje waar een honingachtig vocht vanaf druppelt. Dat is nog de zoetheid van het leven.”
Het titelverhaal van de bundel is ‘Waarvan leeft de mens’? Hierin gaat een arme schoenmaker, Semjon, op pad om een schapenvacht te kopen voor een pels die zijn vrouw en hij zo hard nodig hebben. Het zit hem niet mee. De duisternis is al ingevallen als hij teruggaat naar huis, zonder pels, en met slechts vier roebel op zak. Hij passeert een kerkje. “Wat ligt daar? Een steen? Een schaap? Het heeft meer weg van een mens… maar het is wit.” Semjon negeert aanvankelijk de gestalte, maar keert even later op zijn schreden terug. “Waar ben je mee bezig Semjon?! Er crepeert daar iemand en jij bent zo laf dat je hem smeert? Nee, dat gaat zomaar niet.”
Rood cirkeltje
De
situatie is voor Steehouwer herkenbaar. Hij had een bedrijfje met een
vriend, ook striptekenaar. Het werk liep prima, maar zijn vriend was
zwaar aan de drank. “Ik ging toen naar Seattle, voor een week of vier,
mijn grote liefde achterna. Aan de telefoon merkte ik dat het niet goed
ging met mijn collega.
Bovendien was mijn grote liefde ondertussen lesbisch geworden. Ik ging vervroegd naar Antwerpen, waar mijn vriend woonde bij zijn vriendin. Het huis stond vol met lege flessen wijn. Zijn vriendin was helemaal in paniek, en hijzelf was er beroerd aan toe. Ik ben daar blijven slapen, in zo’n typisch Belgisch kamertje, vol met Mariabeelden en Christusschilderijen. Ik lag daar en ik dacht: ik kan twee dingen doen, ik kan nu instorten, of ik hem gaan helpen. En toen gebeurde er zoiets mafs. Ik had een soort verlichtingsbelevenis. Mijn hart begon te trillen, ik werd heel warm, en alles werd duidelijk. In dat gevoel heb ik twee, drie jaar geleefd. Sindsdien ben ik gelukkig.”
“Ik dacht: ik kan twee dingen doen, ik kan nu instorten, of ik kan mijn vriend gaan helpen.”
De naakte gestalte in ‘Waarvan leeft de mens?’, Michalja, blijkt een gevallen engel. Hij is vanwege ongehoorzaamheid gestraft door God, en moet onder en van de mensen leren “wat er is in de mens, wat de mens niet is gegeven en waarvan de mens leeft”. Schoenmaker Semjon neemt Michalja in huis en vraagt hem zijn knecht te worden. Er zijn jaren en enkele ingrijpende ervaringen voor nodig om tot inzicht te komen. Steehouwer: “De engel leert gaandeweg van de mens en komt tot verlichting. Ik heb een plaatje getekend, waarin je een klein rood cirkeltje ziet op zijn hartstreek, dat daarna helemaal uitdijt. Precies die ervaring heb ik toen gehad. Het was het gevoel dat mijn hart begon te leven. Dat is een meer dan bevredigend gevoel, bijna het antwoord op alles. Als je heel sterk je hart voelt, krijgt alles zin. En als je iets doet wat niet uit je hart komt, dan ebt dat gevoel ook weg, dan wordt dat roodgloeiende lampje minder.”
Dezelfde ochtend nog dat Steehouwer wakker werd in dat Belgische kamertje, bezocht hij een kerk. Hij ging veel onderzoeken. “Bijvoorbeeld: in een kerk worden de beelden heel hoog neergezet. Dat was iets waar ik vroeger boos over werd: er werd een soort betere, hogere wereld gecreëerd. Dat vond ik nogal makkelijk, volksverlakkerij. Nu beleefde ik dat heel anders, en vond het een prachtige metafoor; een ervaring van zo op te kijken naar dat wat je ervaart als het goede, als dat waar je naar toe wil. Dat zette bij mij alles open.”
Sokkeltjes
Met
de vriend van Steehouwer ging het van kwaad tot erger. Hij bleek niet
meer te redden. Zijn hele lymfesysteem was verstopt geraakt en hij
kreeg een huidziekte. Hij lag een jaar lang in het ziekenhuis. “Ik heb
om hem toen mijn ambities opgegeven om een groot bedrijf te maken en
beroemd te worden, met alles erop en eraan. Dat liet ik helemaal los.
Ik kwam erachter dat ik de dingen klein moest houden. Als af en toe
weer oude ambities opkwamen, dan deed ik ze weg of ging ze niet aan.
Het was niet meer nodig. Ik heb zelfs een periode gehad dat ik armoede
cultiveerde. Ik was toevallig arm, dus dat kwam goed uit (lacht). Maar
voor mij geen auto of groot huis.” Steehouwer denkt dat vrienden van
hem vinden dat hij ook zo’n periode heeft gehad als Tolstoj, waarin hij
heel principieel en strikt was. Voor anderen was dat soms behoorlijk
irritant. “Ik was zo vol van mijn eigen gelijk en was niet uit mijn
evenwicht te brengen. Maar die volheid kan ook heel mooi zijn, je gaat
er heel erg van stralen.”
Naar de kerk gaat Steehouwer niet meer. Het probleem met de kerk vindt hij “dat er allemaal rituelen omheen zitten, wat mij afleidt van waar het over gaat. Religies organiseren de waarheid naar regels en ideeën en gaan uiteindelijk tussen de belevenis staan.
Ik ben het afgelopen jaar wat rond gaan neuzen bij andere vormen van geloof, bij het boeddhisme met name. Bij elke club zit iedereen sokkeltjes te bouwen, en ben je gehouden aan dwingende en vaak cryptische gebruiken. Dat staat allemaal tussen mij en mijn vrijheid in. Op dit punt heb ik nog steeds veel affiniteit met Tolstoj. Die rituelen, die allemaal vastgeklonken zitten in de cultuur van een plek, van een land, dragen alleen maar bij aan leugens. Als je alles loslaat kom je uit bij iets heel eenvoudigs, dat elke mens de liefde in zich draagt, allemaal gelijk.”
Engelen
Steehouwer raakte gecharmeerd van een paar sprookjesachtige korte verhalen van Tolstoj. Hij vermoedt dat Tolstoj deze verhalen geschreven heeft voor de kinderen op het schooltje dat hij had opgericht. Daarom vond hij het niet zo gek om juist deze verhalen te ‘verstrippen’.
“De verhalen getuigen van de ontwikkeling van Tolstoj. ‘Hoe het duiveltje zijn boterham verdiende’ is een heel helder verhaal over goed en kwaad: je drinkt geen wodka, want dat is kwaad, dan wint de duivel. Daarna komt het tweede verhaal, dat helemaal gaat over het goede, over leven ten opzichte van de dood, over de goede keuzes, wat kun je doen, hoe kun je leven? Wat dat uiteindelijk oplevert is de verlichting van de engel. Ook in de inkleuring zie je dat het langzaam lichter wordt. In het eindplaatje komt de kleur weer terug op de aarde, waar de mensen leven.”
In
het derde verhaal, ‘Jemeljan en de trom’, staat het bevrijde leven
centraal, na dat moment van verlichting. Het maakt duidelijk dat wij
vrijheidszoekers zijn. Als in het verhaal een benepen tsaar het
hoofdpersonage, Jemeljan, probeert te knechten, dan weet zijn vrouw wat
haar te doen staat. “Ze is trefzeker en overtuigd, maar is ook zacht en
liefdevol, op een heldere manier. Ze heeft haar man lief en gaat niet
in gevecht met de wereld. Dit verhaal lijkt weer terug op aarde, maar met dit verschil dat we wezens ontmoeten die hun dromen waar maken. Er komt
geen engel of duivel in voor. Want zo is het: wij zijn geen engelen,
wij gaan niet naar God, ook niet na de dood, vrees ik.”
De strekking van het derde verhaal komt overeen met hoe Steehouwer zich ontwikkeld had. “Het is weer vriendelijker geworden. Goed en kwaad bestaan niet. Wat dat betreft heb ik het eerste verhaal, waar dat zo duidelijk onderscheiden is, helemaal achter me gelaten.
In het leven kun je een fundamentalist zijn, maar ook een danser. De danser danst overal doorheen en weet wat hij leuk vindt aan het leven. Dat is lekker leven. Daarmee bedoel ik niet: hedonistisch leven. Het is niet een in het wilde weg dansen, maar een dansen dat ook reflectief is.”
Dit artikel is van Heleen Hörmann. Het verscheen oorspronkelijk in het tijdschrift Volzin van 11 februari 2006.



.png)

